18 aug 2026
Provincie Utrecht stelt definitief Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) vast.
Op het Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) zijn maar liefst 1.700 zienswijzen binnengekomen. De provincie heeft hier inhoudelijk op gereageerd bij de vaststelling van het definitieve UPLG op 14 juli jl. In hoofdlijnen houdt de provincie vast aan haar plannen op enkele onderdelen vindt er een wijziging plaats. Wat is er gedaan met uw zienswijze?
Hier de belangrijkste punten op een rijtje:
- Uitstel invoer stikstofzones rondom kwetsbare natuurgebieden
- Doorlooptermijn inzet beperkingen op percelen die zijn aangewezen als ’Essentieel perceel natuur’
- Generieke norm stikstof
- Verhogen waterpeil
- Invloed Statenbrief 26 juni
- Vergunningverlening
- Financiële compensatie voor de landbouw
- Toekomstperspectief boeren
Uitstel invoer stikstofzones rondom kwetsbare natuurgebieden
Het juridisch adviesorgaan heeft gereageerd op de maatregelen van het UPLG. Met de maatregelen van het UPLG wordt er door de provincie een belangrijke bijdrage geleverd aan natuurherstel. Echter is de invulling in zichzelf onvoldoende om de benodigde additionaliteit te kunnen onderbouwen. Dit is de reden dat de voorgestelde mestbeperkingen worden uitgesteld. De invoering van de 250m stikstofzones wordt met 2 jaar uitgesteld van 01 januari 2027 naar 01 januari 2029. Het bemestingsverbod in Natura 2000-gebieden wordt ook 2 jaar opgeschoven.
In eerste instantie gaat het om zes van de negen Natura 2000-gebieden waar deze beperking gaat gelden. Op basis van de algemene voortgangsevaluatie in 2029 zal bepaald worden of aanvullend instelling van een 250 meter stikstofzone met bemestingsbeperkingen noodzakelijk is voor de overige drie stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
Voor het bestaande fruitteeltareaal geldt geen verbod op het gebruik (of uitrijden) van kunstmest en Renure in de stikstofzones. De bepalingen voor gebruik van bestrijdingsmiddelen blijven wel instand. Er wordt samen met de sector gekeken om te monitoren hoe de aanwending van dierlijke mest op een emissiearme wijze kan.
Doorlooptermijn inzet beperkingen op percelen die zijn aangewezen als ’Essentieel perceel natuur’
Op het gebied van natuur is de positionering van ‘essentiële natuurpercelen’ veranderd. In het ontwerp werd vooral een lijst van percelen aangewezen. In de definitieve versie ligt de nadruk op maatwerk per gebied en op de koppeling met de uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie benoemt expliciet dat functieverandering van sommige agrarische percelen noodzakelijk is om de natuurdoelen te halen.
Gezien de ongewenste samenloop van de stikstofmaatregelen en de maatregel essentiële percelen natuur met schadeloosstelling in de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, is de datum van inwerkingtreding van de stikstofmaatregelen voor de essentiële percelen natuur uitgesteld van 1 januari 2027 tot 1 januari 2031.
Inwerkingtreding per 2029 zou ertoe kunnen leiden dat grondeigenaren eerst hun bedrijfsvoering aanpassen aan de mestmaatregelen en nadeelcompensatie aanvragen en daarna alsnog volledig moeten stoppen. Met uitstel tot 2031 hebben de eigenaren van deze percelen voldoende tijd om tegen schadeloosstelling hun grond aan de provincie te verkopen of zelf natuur te realiseren. Als hier geen overeenstemming over wordt bereikt, geeft dit de tijd om de onteigeningsprocedure te doorlopen. Mocht er in 2031 toch nog geen natuur zijn gerealiseerd, dan geldt vanaf dat moment wel de mestbeperking. Op deze manier is er voldoende tijd om tot uitvoering van één van deze maatregelen op de percelen essentiële percelen natuur met schadeloosstelling te komen.
Generieke norm stikstof
De norm voor grondgebonden veehouderij had eerst een bandbreedte van 40 tot 42 kg stikstof deze is nu vastgesteld op 42 kg per hectare. De sector krijgt tot 2029 de ruimte om dit zelf te realiseren via voer- en managementmaatregelen. De norm gaat gelden als vanaf 2030 de stikstof doelen niet behaald gaan worden. Elk bedrijf moet het eigen presteren gaan monitoren door de Kringloopwijzer in te vullen. Vanaf 1 januari 2027 monitort een melkveehouder de ammoniakemissie naar de lucht van diens melkveehouderij en levert jaarlijks voor 15 mei bij Gedeputeerde Staten gegevens daarover aan als XML-bijlage. De registratieplicht weidegang gaat in vanaf 1 januari 2030.
Intensieve veehouderij moest in eerste instantie 90-95% ammoniak reduceren ten opzichte van een traditionele (niet-emissiearme) stal. Hier is nu een verdeling gemaakt tussen bestaande en nieuwe stallen. Nieuw blijft 90-95% reductie. Bestaand is aangepast naar een reductie van 80%. Dit moet gerealiseerd zijn in 2035. Het gaat hier om emissieplafond per gerealiseerde dierplaats. Stalinnovaties zoals luchtwassers of het meten met ammoniaksensoren worden noodzakelijk, voorzien van een wetenschappelijk onderbouwde passende beoordeling.
Uitzonderingen op de generieke stikstofnorm wordt er gesteld voor de biologische niet grondgebonden veehouderij. Omdat zij niet met een gesloten stalsysteem kunnen werken. De biologische grondgebonden landbouw (melkveehouderij) krijgt geen uitzondering op de generieke en specifieke stikstofmaatregelen.
Verhogen waterpeil
In het definitieve UPLG is het klimaatdeel aangescherpt. In het ontwerp werd voorzichtig gesproken over de toevoeging van kleidek‑op‑veengebieden. In de definitieve versie wordt hier explicieter over gesproken. De provincie koppelt dit aan een versnelling van de klimaatdoelen en legt het streven naar een zomerpeil van 40 cm onder maaiveld duidelijk vast. Daarnaast krijgt methaanreductie een eigen plek, inclusief monitoring.
Invloed Statenbrief 26 juni
26 juni is de kamerbrief Weer ruimte voor boer, natuur en bouw verstuurd naar de Tweede Kamer. Doelen van het Rijk en Provincie sluiten in hoofdlijnen op elkaar aan. De Provincie zal mogelijk wanneer landelijke plannen definitief beleid worden het UPLG, Omgevingsvisie en Omgevingsverordening hierop aanpassen.
De provincie is van mening dat voor de juridische haalbaarheid het UPLG proportioneel bijdraagt aan landelijke reductiemaatregelen. Dit kan bijdragen aan het kunnen afwijzen van intrekking- en handhavingsverzoeken.
Vergunningverlening
Ook het vergunningstelsel is anders vormgegeven. In het ontwerp werd nog uitgegaan van een doelvoorschriftenvergunning die per 1 januari 2027 zou ingaan. In de definitieve versie is dit omgevormd tot een doelsturingsvergunning. De provincie kiest daarmee voor een instrument dat minder hard is en meer afhankelijk van landelijke juridische uitwerking. Het past bij de bredere beweging richting doelsturing, maar met meer ruimte voor maatwerk en fasering. Het streven is om met een select aantal bedrijven vanaf kwartaal 1 in 2027 doelsturing vast te leggen via vergunningverlening en snel daarna met PAS-melders. Op termijn kan dit dan verder uitgerold worden. Met een doelsturingsvergunning wordt bedoeld dat bedrijven een emissiedoel krijgen en niet langer een maximum aantal dieren en een voorgeschreven stalsysteem.
PAS-melders en interimmers krijgen speciale aandacht. In het ontwerp kwamen ze al voor, maar in de definitieve versie krijgen ze een veel prominentere plek. De provincie benoemt expliciet dat deze groep “buiten hun schuld” vastzit en werkt aan juridische trajecten, pilots en subsidies om hen perspectief te bieden.
Financiële compensatie voor de landbouw
Agrariërs kunnen alleen nadeelcompensatie krijgen wanneer gebiedsgerichte stikstofmaatregelen hen onevenredig benadelen. Voor generieke maatregelen geldt dit niet, omdat deze voorzienbaar zijn en ondernemers tot 2035 de tijd hebben om zich aan te passen.
Bij het bemestingsverbod binnen Natura 2000-gebieden en de bemestingsbeperking in de 250‑meterzone kan wél nadeelcompensatie worden toegekend. Omdat de maatregelen al deels in 2029 en deels in 2031 gelden, waardoor de aanpassingstijd korter is. Na een individuele aanvraag beoordeelt de provincie of er recht bestaat op compensatie. Dit is geen subsidie, maar een wettelijk recht.
Om duidelijkheid te bieden richting de agrarische ondernemingen zal de provincie beleidsregels uitwerken hoe de nadeelcompensatieregeling eruit komt te zien en hoe de hoogte per geval wordt bepaald. Daarnaast zal er begeleiding aangeboden worden aan ondernemers die een aanvraag willen indienen.
Grondeigenaren kunnen bezwaar maken wanneer de beleidsregels hen individueel onevenredig treffen. Van het schadebedrag wordt het normaal maatschappelijk risico (meestal 2% van omzet of grondwaarde) afgetrokken. Ook kan voorzienbaarheid het bedrag verlagen.
Naast nadeelcompensatie zijn er vrijwillige subsidies beschikbaar voor aanvullende activiteiten, zoals innovatie, omschakeling (SKNL), beëindiging of verplaatsing. Deze instrumenten kunnen helpen bij alternatieve bedrijfsvoering. Inzet van subsidie kan een aanvulling zijn op nadeelcompensatie, maar schade door de verordening zelf wordt niet gesubsidieerd. In lijn met de staatssteunregels kunnen alleen vrijwillige aanvullende activiteiten voor subsidie in aanmerking komen.
Toekomstperspectief boeren
De provincie benadrukt dat landbouw een belangrijk onderdeel blijft naast natuur, klimaat, bodem en water in het vastgestelde beleid. Zo wordt er in het definitieve UPLG gesteld dat boeren meer ruimte krijgen om te bepalen via welke route zij de stikstofuitstoot denken te kunnen reduceren en dat naast extensiveren, innovaties en/of voer- en managementmaatregelen ook tot de mogelijkheden behoren. Het UPLG biedt voldoende borging om dit middels vergunningverlening vast te leggen.
De provincie geeft aan getracht te hebben om maximaal invulling te geven aan de ingekomen zienswijzen. Maar boeren zullen moeten begrijpen dat het UPLG in sommige gevallen pijnlijk zal zijn en dat het om ondernemerschap van mensen vraagt aldus de landbouwgedeputeerde Gijs de Kruif.
Later dit jaar volgt er nog besluitvorming bij de Provinciale Staten over de juridische vaststelling van de wijzigingen in de omgevingsvisie en omgevingsverordening.
Tot slot adviseren wij u om tijdig in kaart te brengen welke onderdelen van het UPLG financiële schade voor uw bedrijf tot gevolg hebben. Wij ondersteunen u graag bij het onderbouwen van de economische gevolgen richting de provincie.
